“Over Maria en haar kind”, preek van ds Henk Zomer

Lucas 1: 29-31, 38, 47-53

“Wees gegroet, Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren.

En Maria zei: “De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt. Mijn ziel prijst en looft de Heer.

      Echt? Zou ze dit echt gezegd hebben of is dit de Maria die we naar ons beeld gescha­pen hebben? Maria de koningin, Maria onze lieve vrouwe. Maria aan wie we alles toege­dicht hebben wat ze niet was. Maria van de “wees gegroetjes, onbevlekt ontvangen, altijd maagd, ten hemel opgenomen. Maria, de sterre der zee. Maria, heilig, heilig, heel heilig. Is dat Maria?

Of zó misschien:

      Dag Maria – nee, je hoeft niet bang te zijn. Dat zal ik over een paar maand ook aan de herders zeggen: ‘niet bang zijn’.

Wie bent U?

      ‘Ik ben een engel van de heer, daal uit de hemel tot je neer en breng een nieuw en mooi verhaal, dat ik vertel in men­sentaal’: “je zult zwanger worden”.

Een nieuw en mooi verhaal? Maar dit wil ik helemaal niet. Dit willen we helemaal niet. Ik ben nog maar dertien. Daar zijn Jozef en ik helemaal nog niet aan toe. Laat er met mij gebeuren wat u gezegd hebt. Laat helemaal niet gebeuren wat u gezegd hebt.

      Je begrijpt het niet. Je kunt het ook niet begrijpen. Jozef heeft er niets mee te ma­ken. Wacht maar af, je zult het vanzelf wel merken, want geen woord dat van God komt zal krachteloos zijn.

Een dikke maand later:

“Dag Maria”.

 Mama, ik moet je wat vertellen. Ik ben in verwachting.

Och m’n lieve kind, m’n meisje toch.

Ik wou het ook niet. Ik kan je het ook helemaal niet uitleggen maar ik kan er echt niks aan doen.

      Wat denk je mama, zal Jozef de proef met het bittere water met me willen doen? Zal hij naar de priesters gaan en ze wijzen op wat er in de Wet geschreven staat? Zullen ze m’n haren dan losmaken, zullen ze een kruik met water nemen, het vermengen met stof en het me dan laten drinken en zeggen: ‘Als je met een man geslapen hebt dan zal dit water er voor zorgen dat je nooit meer kinderen zult krijgen’. Zullen ze dat doen mama? Heel Nazaret zal het weten. Ze zullen me verachten. Een vrouw van smarten zal ik worden, eentje voor wie men het gelaat verbergt.

Wat denk je mama? 

Ik denk het niet Maria. Je ként hem toch?

Ja maar…

Er zit maar één ding op Maria: Je zult het hem moeten zeggen en afwachten wat hij zal doen. God zegene je.

“Hoi Jozef”,

Dag Maria. Fijn dat je er bent. Hé, meisje, is er wat? Je ogen zijn zo rood.

Jozef, ik zal het maar zeggen zoals het is: ‘k Ben zwanger. Ja, je hoort het goed, zwanger – ‘t wordt een zoon.

Wat zeg je nóu. Wat is dát nou. Wat is er gebeurd? Dat kan toch niet? We hebben toch nog zo goed uitgekeken. Wat heb je gedaan, wat hebben ze met jou gedaan? Wie heeft je te pakken gehad? Of wacht eens: wou je het zelf, is het een ander? Ja, je wou het zelf. Kom op, voor de draad ermee. Wie? Waar? Op het strand bij het meer? Ave Maria, de groeten!!.

Nee,‘t Is zeker een grapje, een geintje om te kijken of ik jaloers ben hè. Je wilt weten of ik nog van je hou. Dat is het natuurlijk!

 Nee, Jozef, zo is het niet. ‘t Is heel anders. Luister, ik zal proberen om het je uit te leggen. Er is een engel geweest …… ‘en geen woord dat van God komt zal krachteloos we­zen’.

O, Maria, als de mensen van ons dorp je straks in hun vingers krijgen……Je weet wat er dan gaat gebeuren. Ze weten toch dat we verloofd zijn? Ze zullen op een onverwacht moment je insluiten, een kring om je heen vormen en dan is er echt geen rabbi die zal zeggen: ‘Wie van jullie zonder zonde is – die mag beginnen’.

      Hoe kan ik je helpen. Zal ik zeggen dat we ruzie gekregen hebben? Dat we niet meer verloofd zijn? Dat het uit is? Dat je rustig met en ander verkering mag hebben omdat je vrij bent? Ik weet precies tegen wie ik dat moet zeggen zodat binnen een dag heel Nazaret het weet. Zou het werken? Zal ik het proberen? Een maand te laat geboren worden valt toch niet zo op?

Ave Maria, “arm kind, meisje van dertien, er net tussen in: te groot voor de poppen, te klein voor de kerels…

Dapper van je dat je nog kon zingen. Kon zingen over al die geslachten die jou gelukkig zouden prijzen, en over zijn heilige naam. Jou krijgen ze blijkbaar niet zo gauw klein, of is het als fluiten in het donker, stoer doen tegen de angst?

      Maria, vertel eens: hoe is het verder gegaan. Heb je ondanks dat verschrikkelijke begin plezier gehad van je kind?

Nee, plezier is niet het goede woord. M’n moeder was niet eens bij de geboorte. Bethle­hem, ver weg. Stal, kribbe, vluchten naar Egypte. Maar dat was nog niet het ergste. Het ergste waren die kinderen van Bethlehem, die er niks mee te maken hadden. Vermoord omdat wij er waren. Telkens als ik daaraan denken moet…

      Later, toen híj weer dertien was liet hij ons alleen toen we vanuit Jeruzalem weer op de terugreis waren naar Nazaret. We waren bang en bezorgd maar kregen als stank voor dank ook nog van hem op onze kop. Hij moest bezig zijn met de dingen van z’n vader zei hij. Z’n Vader!!

      Nee, een gemakkelijke jongen was hij niet. Hij ging z’n eigen gang. Recht door zee, onophoudelijk en onverbiddelijk. Altijd in gezelschap van – hoe zal ik het zeggen – een bepaald soort vrienden. Mensen die er uit lagen, die niet meetel­den, met wie wat aan de hand was. Tollenaars, vissers en mensen zónder of met een bepáálde reputatie. In hun omgeving voelde hij zich blijkbaar prettig. En vooral bij zieken. Dat zootje ongeregeld noemde hij ” mijn broers en zussen”.

      Constant ruzie met z’n collega’s. Hij voldeed niet aan hun verwachtingen, was zo anders dan zij. Zij stonden aan de verkeerde kant vond hij. Zij keken naar de regel­tjes, hij keek naar het hart van de mensen. Daar ging het om. Hij had gelijk en zij hadden ongelijk vond hij. Want Hij had hij het niet van zichzelf. Hij had het van z’n andere Vader – in de hemel. Die was voor kléine mensen bereikbaar. Die gaf recht aan rechtelozen. Hun bloed was kostbaar in z’n ogen. En zo vader, zo zoon. Dat kon niet anders. Zo ging dat vanaf de grondlegging der wereld. Altijd weer diezelfde keus, diezelfde voorkeur, hoe je het wendt of keert. En ik hoor hem nog zeggen: “zalig ben je als je daaraan geen aanstoot neemt.

      Maar velen deden dat wél. Dus hebben ze hem opgepakt. Iedereen heeft hem in de steek gelaten, zelfs z’n beste vrienden. Niemand heeft hem geholpen. Maar over die tijd praat ik  liever niet. Want jullie zullen dan wel zeggen: moet dat nou in deze tijd voor kerst? Dan moet het toch gaan over toen hij nog klein was, een kindje, een kindje zacht en teer, onschuldig en in de doeken gewikkeld. Dus laat ik maar ophouden, jullie hoofd staat er momenteel toch niet naar.

Nee Maria,  zeg maar wat je dwars zit, vertel maar, vertel maar door.

      Ze hebben hem vermoord alsof het een eersteklas misdadiger was. Aan een kruis geslagen. Ik ben er bij geweest, heb er zelfs naast gestaan! Kun je voorstellen wat dat voor een moeder bete­kent? Kun je voorstellen dat ik toen dacht: Was het maar nooit kerst geweest, was hij maar nooit geboren. Had ik toen maar tegen die engel gezegd: Niks daarvan, d’r gebeurt helemaal niet wat u zegt!

      Daar op Golgotha ben ook ík in zekere zin gestorven. Dikke spijkers door zijn han­den en voeten, maar door mijn ziel een zwaard. 37 jaar oud, volkomen onschuldig. En ik denk dat ze het weer zouden doen. Ik denk zelfs dat jullie het gedaan zouden hebben. Want ook jullie is niks menselijks vreemd hoor. Kijk maar eens wat jullie met z’n boodschap gedaan hebben. Hoe zit bij jullie met die machtigen en rijken, die hongerigen en mensen van lage staat? Ja met kerst, één keer per jaar. Dan praten en preken jullie er over. Beseffen jullie dat mijn zóón daaraan kapot gegaan is?

      Maria, we begrijpen je teleurstelling en verdriet. Maar je stelt het door je emoties nu ook wel een beetje te simpel voor. Jouw wereld was klein en overzichtelijk. Bij jou woonden de bedelaars nog in de straat, de melaatsen kwam je tegen op de mestvaalt en de hongerigen klopten bij je aan de deur. In jouw tijd kon je tenminste nog wat concreet doen. Je had er tenslotte ook nog de tijd voor, je had de tijd nog méé.

       Een halve eeuw geleden hadden wij in zekere zin ook de tijd nog mee.

Het werelddiaconaat vonden we toen uit en we vroegen kerkleden 2% van hun salaris af te staan want als iedereen dat zou doen dan zou de honger de wereld uit zijn. Dat hadden economen berekend. We kochten geen koffie uit Angola, maar wél die van Max Havelaar, geen sinaasaappels uit Zuid Afrika, maar wel weer kaarsen uit Soweto en vooral geen benzine van Shell .

      In december ’72 gingen we met meer dan 250.000 kerkleden de deuren langs en haalden in één dag 70 miljoen gulden op. Daarmee steunden we 744 projecten tegen armoede en honger in 77 landen.

Het kon anders volgens ons. Op zijn minst zouden we met z’n allen het verschil kunnen maken. Over moed gesproken, over overmoed gesproken.

Andere tijden Maria. Andere rijken, andere armen, andere wereld, andere machten en krachten dan toendertijd bij jou in Nazaret. Woorden als “belastingparadijs, mensensmokkel, detentiekamp, corruptie, bomgordel, cocaïne” dat waren voor jou nog volkomen onbekend .

         Nu hebben we teveel van die woorden, veel te veel. Ze overweldigen ons, ze verpletteren onze goed bedoelingen, ze maken ons somber en cynisch want we kunnen er niet meer tegen op.

Dit begrijp je niet Maria. Kun je ook niet begrijpen. Bid maar voor ons. Nee, niet in het uur van onze dood. Nu!

      P.S.

Sorry dat we zo fel uit de hoek gekomen zijn maar het moest er een keertje uit. Het lucht behoorlijk op en geeft ons ruimte om schoorvoetend ook met dat andere voor de draad te komen en waar hetr echt om gaat:

Luister: Misschien haalden we wel zo omdat we ten diepte eigenlijk bang zijn, hartstikke bang. Want het komt allemaal aan onze eigen wereld, aan ons eigen leven, aan wat we daarin belangrijk vinden, aan waar we naar streven, aan waar we voor werken, aan wat niet al.

      En:

Aan je zoon hebben we gezien waar dat op uit kan lopen.  Dáárom hebben we er zo veel moeite mee.

Geef ons alsjeblieft een paar kerstdagen wat rust. Dat zal zeker helpen. Want nu het hoge woord er uit is kunnen we best weer een tijdje vooruit. We pakken echt de draad wel weer op Maria. Niet meer met grote woorden en rijk vertoon. Kleiner,anders en zeg vooral wél tegen je zoon dat we niet bij de kribbe neer blijven zitten. Echt niet.

Dag Maria – dáág!

Het fotoalbum van deze dienst kunt u op deze pagina inzien.

Zondagavond 22 december 2019. “Inmiddels hebben een heleboel kerkgangers mij gevraagd om de preek te publiceren. Dat is voor mij hartverwarmend en ook ontroerend. Ook dankbaar voor zoveel mooie reacties-in de kerk en de hele dag verder op de mail . Henk“.

Reacties zijn gesloten.