Kerkgebouw Oosterkerk 
Ons kerkgebouw grenst aan de westzijde aan het Koewegje en aan de oostzijde aan de Bagijnensingel.
Rechts een foto van de eerste steen die in april 1888 werd gelegd.
Oude foto's van de Oosterkerk.
Kijkje in de kerk
Na de laatste aanpassing op 26 oktober 2011 is dit het interieur van de kerk.
Gedachtenishoek
Op zondag 30 oktober 2011 is in de Oosterkerk de nieuwe gedachtenishoek gepresenteerd. Het is een ontwerp gemaakt door Pim van Dijk, de liturgisch vormgever die ook zorg heeft gedragen voor het nieuwe interieur van het liturgisch centrum.
Het kleurige glaswerk in het centrum van het kunstwerk komt van de gedachtenis-hoek in de Hoeksteen. Het is ontstaan door het smelten van glas. Annemiek Punt, de kunstenares die het glaswerk heeft gecreëerd, is daarbij geïnspireerd door de woorden: tijdelijkheid-verbonden met eeuwigheid, perspectief-over grenzen heen, geborgenheid-dragen in … onverwacht licht.
Achter het glaswerk is een plateau geconstrueerd, waarop stenen liggen waarop namen staan geschreven van gemeenteleden die zijn overleden, die wij herdenken en in gedachten willen houden. Deze stenen zijn afkomstig van het eiland Iona in Schotland, waar een oecumenische gemeenschap leeft, die door verschillende gemeenteleden al enkele keren is bezocht. Deze wijze van zichtbaar maken van de namen sluit aan bij een tekst uit de bijbel, uit de Openbaringen (2:17): Wie overwint zal ik van het verborgen manna geven, en ook een wit steentje, waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die het ontvangt.
Organisten en het orgel
Het orgel wordt bespeeld door Rudie Altelaar
en zijn zoon Jan Willem Altelaar en Gerrit Hoving


Orgel diverse malen gerestaureerd
Een historische terugblik.
Sinds de inwijding van de Oosterkerk op 23 september 1888 hebben verschillende orgels dienst gedaan. Het bestaande orgel werd daarnaast enkele keren gerestaureerd en aangepast aan de eisen des tijds. In het eerste jaar werd gebruik gemaaktvan een serafine-orgel - een soort harmonium - dat voor ƒ 60,- op de kop was getikt. Al snel werd naar een groter orgel uitgekeken en voor eind 1889werd een kabinetorgel aangeschaft voor f 350,- van de orgelbouwer J. Proper, tevens organist van de Burgwalkerk te Kampen. Die transactie wasmogelijk omdat in korte tijd ƒ 300,- voor het orgelfonds was binnengehaald. Bovendien werd het serafine-orgel verkocht voor ƒ 80,-, zodat er nog ƒ 30,- in het orgelfonds bleef zitten.
Maar de klanken die dit orgel voortbracht
waren voor verbetering vatbaar. Vandaar dat negen jaar later weer over een nieuw orgel gesproken werd met orgelbouwer Proper. De orgelbouwer stond daarbij voor de keus: een opgeknapt tweedehands orgel voor ƒ 1.000,- of een nieuw orgel dat ongeveer ƒ 1.400,- zou kosten. De keus viel op een nieuw orgel dat werd aanbesteed voor ƒ 1.300,-, een meevaller van ƒ 100,-. Eind 1898 werd het nieuwe orgel in de Oosterkerk in gebruik genomen.
Direct na de eerste wereldoorlog werd besloten tot een complete verbouwing van het orgel. De firma A.S.J. Dekker uit Goes nam dit karwei voor haar rekening. Het orgel werd uitgebreid tot twee klavieren en de speeltafel werd als het ware losgekop-peld van het instrument en voor het front geplaatst. De kosten waren
niet gerlng ƒ3.800,- , toentertijd een enorm bedrag. Adviseur bij deze ingrijpende veranderingen aan het instrument was de heer Ponten, organist van de Onze Lieve Vrouwe Kerk en dirigent van Caecilia. Deze restauratie zorgde voor de invoering van het pneumatische overbrengingssysteem van het orgel. In 1922 nam een elektromotor het werk van de orgeltrapper over.
Dat er ook onderhoud aan de orgels gepleegd werd toont deze kwitantie van de heer Bernhard Koch, eigenaar van de Eerste Nederlandsche Elektrische Kerkorgel en Windmachinefabriek. Het is een in het Duits gestelde kwitantie groot ƒ 140,10.
In 1927 stelde de orgelcommissie een onderzoek in naar de toestand van het orgel, omdat het orgel gebreken zou vertonen. Dat leidde tot een stevig conflict met de leverancier Dekker. Dekker voelde zich niet aansprakelijk voor de gebreken en weigerde de herstelwerkzaamheden onder de garantievoorwaarden te laten vallen. Na een jaar lang corresponderen bleek Dekker uiteindelijk bereid de membranen te vernieuwen met Amerikaans leer en het orgel opnieuw te intoneren voor de prijs van ƒ 975,-, waarvan ƒ 200,- onder de garantie viel, ƒ 775,-- moest de Gereformeerde Kerk betalen. De liefde tussen het Zeeuwse bedrijf en de orgelcommissie was ondertussen dusdanig bekoeld dat de firma Valckx en Van Kouteren in Rotterdam de opdracht kreeg voor enkele kleine wijzigingen zoals het bijplaatsen van een roerfluit en een tremulant. Eind 1929 werd het herstelde orgel in gebruik genomen.
Medio 1950 bleek het orgel in een erg slechte staat te verkeren. Een grondige opknapbeurt bleek nodig te zijn. Het karwei, waarmee een bedrag was gemoeid van ƒ 8.600,-, werd gegund aan de firma R. Kamp en Zonen. Op 21 februari 1955 was de restauratie voltooid.
In februari 1994 wordt het opnieuw gerestaureerde orgel in gebruik. Dit keer viel de schade wat groter uit ƒ 228.705,- om precies te zijn. De firma Ernst Leeflang BV Orgelbouw heeft er een waar kunstwerk van gemaakt waarvan we nog vele jaren kunnen genieten.
Bagijnensingel
In oude documtenen is er iets terug te vinden over die Bagijnen.
In het boekje 'Zwolle in het voetspoor van de Moderne Devotie' - geschreven door Ton Hendrikman en Rudolf van Dijk (kenners van de MD) - staat het volgende:
In 1384 stichtte ene Johan van Ommen een 'broederhuis' in de Praubstraat, toen Begijnenstraat geheten. Dit 'Olde Convent' kwam mede tot stand door medewerking van Geert Grote. Tot die tijd woonden begijnen in dit Olde Convent dat zo werd genoemd in tegenstelling tot de nieuwe conventen, de huizen van de broeders en zusters van het gemene leven. Door opkomst van de Moderne Devotie kozen veel begijnen voor meer gemeenschappelijk leven. Kortom: In onze stad woonden wel degelijk begijnen, vrouwen bij wie de apostolische leefwijze (sober leven en de verkondiging van het Evangelie) centraal stonden. Ze leefden in de wereld maar wilden niet van de wereld zijn. Ze leefden vaak alleen of in kleine gezelschappen waarin zij hun religieuze ervaring samen deelden. Later in de tijd koos men meer voor een vorm van leven in meer beslotenheid.
Edwin Dikken en drs. Herman Kamphuis schrijven daarover (en terug te vinden in de website van Edwin Dikken) het volgende: "De vermelding van ‘beginnend bij de Bagijnen’ kunnen we verklaren. Waarschijnlijk zal er bedoeld zijn dat er land of een woning aanwezig was waar de Bagijnen eigenaar van waren. In die tijd was het voor iedereen duidelijk waar dat was. Deze gedachte wordt bevestigd door ‘Regesten van Berkenvelder, deel 6 van 1491-1500. Daar lazen we dat er op 3 maart 1496 land verkocht wordt. In het regest staat o.a. de tekst ‘Beghijnen-goet dat ligt op de Oesterenk’. Deze Bagijnen behoorden tot het St. Cecilia convent dat later opging in het Hervormd Weeshuis "
Op onderstaande oude kaart van Zwolle is de huidige plaats van de Oosterkerk, bij benadering, in rood aangegeven
De detailtekening (links) van de oude kaart is gelegd op een Google plattegrond. Ook daar is de plaats van de Oosterkerk in rood aangeduid.