Kerkgebouw
Kijkje in de kerk

Na de laatste restauratie, die in 1990 afgerond werd, is dit het interieur van de kerk.
Organisten en het orgel
Het orgel wordt bespeeld door Rudie Altelaar
en zijn zoon Jan Willem Altelaar en Gerrit Hoving


Orgel diverse malen gerestaureerd
Een historische terugblik.
Sinds de inwijding van de Oosterkerk op 23 september 1888 hebben verschillende orgels dienst gedaan. Het bestaande orgel werd daarnaast enkele keren gerestaureerd en aangepast aan de eisen des tijds. In het eerste jaar werd gebruik gemaaktvan een serafine-orgel - een soort harmonium - dat voor ƒ 60,- op de kop was getikt. Al snel werd naar een groter orgel uitgekeken en voor eind 1889werd een kabinetorgel aangeschaft voor f 350,- van de orgelbouwer J. Proper, tevens organist van de Burgwalkerk te Kampen. Die transactie wasmogelijk omdat in korte tijd ƒ 300,- voor het orgelfonds was binnengehaald. Bovendien werd het serafine-orgel verkocht voor ƒ 80,-, zodat er nog ƒ 30,- in het orgelfonds bleef zitten.
Maar de klanken die dit orgel voortbracht
waren voor verbetering vatbaar. Vandaar dat negen jaar later weer over een nieuw orgel gesproken werd met orgelbouwer Proper. De orgelbouwer stond daarbij voor de keus: een opgeknapt tweedehands orgel voor ƒ 1.000,- of een nieuw orgel dat ongeveer ƒ 1.400,- zou kosten. De keus viel op een nieuw orgel dat werd aanbesteed voor ƒ 1.300,-, een meevaller van ƒ 100,-. Eind 1898 werd het nieuwe orgel in de Oosterkerk in gebruik genomen.
Direct na de eerste wereldoorlog werd besloten tot een complete verbouwing van het orgel. De firma A.S.J. Dekker uit Goes nam dit karwei voor haar rekening. Het orgel werd uitgebreid tot twee klavieren en de speeltafel werd als het ware losgekop-peld van het instrument en voor het front geplaatst. De kosten waren
niet gerlng ƒ3.800,- , toentertijd een enorm bedrag. Adviseur bij deze ingrijpende veranderingen aan het instrument was de heer Ponten, organist van de Onze Lieve Vrouwe Kerk en dirigent van Caecilia. Deze restauratie zorgde voor de invoering van het pneumatische overbrengingssysteem van het orgel. In 1922 nam een elektromotor het werk van de orgeltrapper over.
Dat er ook onderhoud aan de orgels gepleegd werd toont deze kwitantie van de heer Bernhard Koch, eigenaar van de Eerste Nederlandsche Elektrische Kerkorgel en Windmachinefabriek. Het is een in het Duits gestelde kwitantie groot ƒ 140,10.
In 1927 stelde de orgelcommissie een onderzoek in naar de toestand van het orgel, omdat het orgel gebreken zou vertonen. Dat leidde tot een stevig conflict met de leverancier Dekker. Dekker voelde zich niet aansprakelijk voor de gebreken en weigerde de herstelwerkzaamheden onder de garantievoorwaarden te laten vallen. Na een jaar lang corresponderen bleek Dekker uiteindelijk bereid de membranen te vernieuwen met Amerikaans leer en het orgel opnieuw te intoneren voor de prijs van ƒ 975,-, waarvan ƒ 200,- onder de garantie viel, ƒ 775,-- moest de Gereformeerde Kerk betalen. De liefde tussen het Zeeuwse bedrijf en de orgelcommissie was ondertussen dusdanig bekoeld dat de firma Valckx en Van Kouteren in Rotterdam de opdracht kreeg voor enkele kleine wijzigingen zoals het bijplaatsen van een roerfluit en een tremulant. Eind 1929 werd het herstelde orgel in gebruik genomen.
Medio 1950 bleek het orgel in een erg slechte staat te verkeren. Een grondige opknapbeurt bleek nodig te zijn. Het karwei, waarmee een bedrag was gemoeid van ƒ 8.600,-, werd gegund aan de firma R. Kamp en Zonen. Op 21 februari 1955 was de restauratie voltooid.
In februari 1994 wordt het opnieuw gerestaureerde orgel in gebruik. Dit keer viel de schade wat groter uit ƒ 228.705,- om precies te zijn. De firma Ernst Leeflang BV Orgelbouw heeft er een waar kunstwerk van gemaakt waarvan we nog vele jaren kunnen genieten.
Oude foto's
Soms vind je nog ergens een oude foto van de Oosterkerk.
